TOPPERTJE:

Uw wegwijzer op internet Winkelzone.nl
Hieronder meer fantastische toppertjes die zeker de moeite waard zijn!

stem hier op het gedichtenparadijs s.v.p., alvast hartelijk bedankt!!!

Bep's gedichtjes en versjes

Handje plak,
ga naar de markt,
koop een koe,
en een stuktje toe.
Een stukje van de longen
voor de zieke jongen.
en een stukje van de pens
voor een ziek mens.
Een stukje van de lever
voor de zieke wever.
kiele - kiele - kiele
Twee emmertjes water halen,
Twee emmertjes pompen.
Meisjes op de klompen
meisje op je houten been
rij maar door mijn straatje heen
van je ras, ras ,ras,
rijdt de koning door de plas
van je voort, voort, voort
rijdt de koning door de poort
van je erk, erk, erk,
rijdt de koning door de kerk
van je een, twee, drie!
Hoe zachtkens glijdt ons bootje
Daar op het spieglend meer.
De riempjes, net en proper,
Gaan luchtig op en neer.
De golfjes kabb'len spelend
Al tegen 't bootje aan,
En ginds zien wij de toeren
In groene bosjes staan.

Maar wie wil spelevaren
Zij wijs en welbadacht!
Want menig voer in 't bootje,
Die dood werd thuisgebracht.
Het bootje is zo wankel,
Het is zo rank en smal,
Wie met gevaren spotten
Zijn beter aan de wal.
Klap eens in je handjes,
blij, blij, blij!
Op je boze bolletje, allebei!
Draai het wieltje nog eens om,
klap maar in je handjes.
Zet je handjes in je zij.
Op je bolletje allebei.
Zo varen de scheepjes voorbij.
Heb je wel gehoord van die holle bolle wagen,
waar die dikke Gijs op zat?
Hij kon schrokken grote brokken,
een koe en een kalf
en een heel paard half.
Een os en een stier,
zeven tonnen bier
en een hok met schapen.
Toch kon Gijs
van de honger niet slapen.
Op de grote stille heide
Rust het al bij manschijn,
Als de schaapjes en de bloemen
Vredig ingeslapen zijn.
En. terugziend op zijn pad,
Juicht de herder: Welk een schat!
Hoe rijk is mijn heide!
Hoe rijk is mijn heide, mijn heide!
Daar klingelt een klokje met zilveren klank
het nodigt zo vriend'lijk tot rust en tot dank
en roept tot ons allen: de taak is volbracht,
goedenacht, goedenacht

De zonne ging onder bleekt is haar glans
De maan leidt de reizen der sterren ten dans
en dart' lend blonken z' in water hun pracht
goedenacht, goedenacht

Een zuchtje suist fluist' rend in 't ruisende riet
de kever zoemt gonzend om 't boembed een lied
de nachtegaal slaakt aan den woudzoom zijn klacht
goedenacht, goedenacht

Schijnt vrien'lijke sterren en tintelt naar lust
slaapt vogels en bloemen ook wij gaan ter rust
Nacht armen en droeven en kranken, rust zacht
goedenacht, goedenacht
De Kleinste

In 't groene dal, in 't stille dal,
waar kleine bloempjes groeien
daar ruist een blanke waterval
en druppels spatten overal
om ieder bloempje te besproeien
ook 't kleinste!

En boven op der heuvelen spits
waar forse bomen groeien
daar zweept de stormvlaag fel en bits
daar treft de rose bliksemflits
en splijt, bij 't daav'rend onweerloeien
den grootste!

Omhoog, omlaag op berg en dal
ben 'k in de hand des Heeren
toch kies ik als ik kiezen zal
mijn stille plek, mijn waterval,
toch blijf ik steeds, naar mijn begeren,
de kleinste!
Kabouterland

In het rijk van vorst Laborus
Doet een ieder graag zijn plicht;
Valt er ergens wat te werken,
't wordt met blij gemoed verricht
Als op aard de mensen slapen
Rusten na een zware dag
Komen wij het werk voleinden
Gaan w' in 't donker aan de slag

Helpen is ons lust en leven
zonder zucht naar eer of loon.
Weldoen zonder om te kijken
Dat slechts maakt het leven schoon
Als op aard de mensen slapen
Rusten na een zware dag
Komen wij het werk voleinden
Gaan w' in 't donker aan de slag
Klein Moederke

Moederke zit te driegen
Aan een mantelzoom
Zusje moet nu wiegen
Zoeteke slaap en droom
Broederke, broederke, broederke mijn
Laat mij, laat mij uw moederke zijn.

Dekken zal u zusje,
Ligt ge bloot gewoeld,
Kussen met een kusje
Dat ge bijna niet voelt.
Broederke, broederke, broederke mijn
Laat mij, laat mij uw moederke zijn.

Moet ge mee naar schole
Dwars door weer en wind,
Kom dan stil gescholen
Onder dien mantel kind.
Broederke, broederke, broederke mijn
Laat mij, laat mij uw moederke zijn.
Roeiliedje

De wind suist een liedje in 't wuivende riet.
En stralende zonlicht weerkaatst in den vliet.
Ons dobberende bootje danst mee op de maat,
Die 't kabb'lende water zoo lustigjes slaat.

Wij heffen de riemen en schieten door 't nat,
Dat bruisende tegen den steven op spat
Wij rekken en strekken en trekken met kracht
De schipper houdt stuur en de uitkijk houdt wacht.

Hoezee voor het water, voor roeien hoezee!
Stuur nu weer ons bootje naar veilige rêe.
Want lang heeft men thuis zeker al ons gewacht
Het zonnetje daalt reeds en wenscht ons goê nacht
Slaapliedje

Do la do deine,
Slaap lieve kleine
Doe er van 't spelen moe
Zoetjes uw oogjes toe,
Sluimer nu zacht,
moeder houdt de wacht.
Ook naar zijn nestje vliegt nu vogelijn,
Dromerig, dommelend
Alle de bloemkens zijn,
En door ons vensterke gluurt
weer de maneschijn.Do la do deine
Slaap lieve kleine,
Doe er van 't spelen moe,
Zoetjes uw oogjes toe,
Sluimer nu zacht,
moeder houdt de wacht,
Sluimer nu zacht,
Moeder houdt de wacht,
Do la, Do la deine
Van Lente

Daar was ereis een vogelijn,
klein, klein vogelijn dat
dichtte een vrolijk liedeken bij heldren zonneschijn.
Het trilde en tjiepte
en peep en zong tot mij het lied
in 't hartje drong als zilveren glenzingen
en geuren van seringen mij harte binnen drong, 't zingen

Toen voelde ik dat het lente was blank,
blank, gouden rein.
Mijn hart dat was een teere bloem, die wacht op zonneschijn.
Nu geurt het veld, nu wuift het bosch,
nu wikkelt vlinder 't popje los.
Nu gaat, op vlinder zwingen, mijn fladdrend zieltje aan gaat,
op zwingen, mijn zieltje aan 't zingen.
Nu wuift het groene bosch,'t zingen
Zomerochtendliedje

Kind'ren, naar buiten, het zonnetje lacht !
Ziet toch eens rond, wat de morgen u bracht:
't Vrolijke, zonnige leven !
't Schittert daar buiten van blauw en van goud;
Vogeltjes schaat'ren in 't bloeiende hout,
Vriendelijk lachen de dreven !
Geur stijgt ten hemel van bloesem en blad,
Mee op het pad ! Mee op het pad !

Kind'ren naar buiten, het veld is nog nat !
Dauw ligt te flonk'ren op bloesem en blad,
Schitter u vriendelijk tegen.
't Zonlicht maakt plassen tot spiegels van goud;
Tovert een tint'lende sluier voor 't woud,
Sprenkelt zijn goud op de wegen.
Kind'ren naar buiten, ontvlucht nu de stad,
Mee op het pad ! Mee op het pad !

Kind'ren naar buiten, natuur is zo mooi !
Ziet toch haar rijke, haar feest'lijke tooi,
Feesttooi in 't zomergetijde !
Paart er uw liedjen aan 't vogelgezang,
Kort is de zomer, maar winter duurt lang,
Zingt er uw liedeke blijde !
Kind'ren naar buiten, ontvlucht nu de stad,
Mee op het pad ! Mee op het pad !
'k Zag twee apen wortels schrapen,
Oh, het was een wonder!
't Was een wonder boven wonder
Dat die apen schrapen konden! Hi Hi Hi!
ha ha ha! 'k Stond er bij en ik keek er na!

Wij maken een kringetje van jongens en van meisjes
Wij maken een kringetje van tra la la!
Maak nu een buiging!
Maak nu een buiging!
Bij de hand, bij de hand,
pak je liefste bij de hand

In de kelder is het donke
Waarom moet het donker zijn
An-na , Ma-ri-a, koekoek

't Schip moet zeilen,
't Scheepje ligt aan wal!
We zeilen ja, we zeilen ja,
van één twee drie!
En al de scheepjes zeilen,
ja van één twee drie!!