|
|
|
|
|
| Hieronder meer fantastische toppertjes die zeker de moeite waard zijn! |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Handje plak, ga naar de markt, koop een koe, en een stuktje toe. Een stukje van de longen voor de zieke jongen. en een stukje van de pens voor een ziek mens. Een stukje van de lever voor de zieke wever. kiele - kiele - kiele |
Twee emmertjes water halen, Twee emmertjes pompen. Meisjes op de klompen meisje op je houten been rij maar door mijn straatje heen van je ras, ras ,ras, rijdt de koning door de plas van je voort, voort, voort rijdt de koning door de poort van je erk, erk, erk, rijdt de koning door de kerk van je een, twee, drie! |
Hoe zachtkens glijdt ons bootje Daar op het spieglend meer. De riempjes, net en proper, Gaan luchtig op en neer. De golfjes kabb'len spelend Al tegen 't bootje aan, En ginds zien wij de toeren In groene bosjes staan. Maar wie wil spelevaren Zij wijs en welbadacht! Want menig voer in 't bootje, Die dood werd thuisgebracht. Het bootje is zo wankel, Het is zo rank en smal, Wie met gevaren spotten Zijn beter aan de wal. |
|
Klap eens in je handjes, blij, blij, blij! Op je boze bolletje, allebei! Draai het wieltje nog eens om, klap maar in je handjes. Zet je handjes in je zij. Op je bolletje allebei. Zo varen de scheepjes voorbij. |
Heb je wel gehoord van die holle bolle wagen, waar die dikke Gijs op zat? Hij kon schrokken grote brokken, een koe en een kalf en een heel paard half. Een os en een stier, zeven tonnen bier en een hok met schapen. Toch kon Gijs van de honger niet slapen. |
Op de grote stille heide Rust het al bij manschijn, Als de schaapjes en de bloemen Vredig ingeslapen zijn. En. terugziend op zijn pad, Juicht de herder: Welk een schat! Hoe rijk is mijn heide! Hoe rijk is mijn heide, mijn heide! |
|
Daar klingelt een klokje met zilveren klank het nodigt zo vriend'lijk tot rust en tot dank en roept tot ons allen: de taak is volbracht, goedenacht, goedenacht De zonne ging onder bleekt is haar glans De maan leidt de reizen der sterren ten dans en dart' lend blonken z' in water hun pracht goedenacht, goedenacht Een zuchtje suist fluist' rend in 't ruisende riet de kever zoemt gonzend om 't boembed een lied de nachtegaal slaakt aan den woudzoom zijn klacht goedenacht, goedenacht Schijnt vrien'lijke sterren en tintelt naar lust slaapt vogels en bloemen ook wij gaan ter rust Nacht armen en droeven en kranken, rust zacht goedenacht, goedenacht |
De Kleinste In 't groene dal, in 't stille dal, waar kleine bloempjes groeien daar ruist een blanke waterval en druppels spatten overal om ieder bloempje te besproeien ook 't kleinste! En boven op der heuvelen spits waar forse bomen groeien daar zweept de stormvlaag fel en bits daar treft de rose bliksemflits en splijt, bij 't daav'rend onweerloeien den grootste! Omhoog, omlaag op berg en dal ben 'k in de hand des Heeren toch kies ik als ik kiezen zal mijn stille plek, mijn waterval, toch blijf ik steeds, naar mijn begeren, de kleinste! |
Kabouterland In het rijk van vorst Laborus Doet een ieder graag zijn plicht; Valt er ergens wat te werken, 't wordt met blij gemoed verricht Als op aard de mensen slapen Rusten na een zware dag Komen wij het werk voleinden Gaan w' in 't donker aan de slag Helpen is ons lust en leven zonder zucht naar eer of loon. Weldoen zonder om te kijken Dat slechts maakt het leven schoon Als op aard de mensen slapen Rusten na een zware dag Komen wij het werk voleinden Gaan w' in 't donker aan de slag |
|
Klein Moederke Moederke zit te driegen Aan een mantelzoom Zusje moet nu wiegen Zoeteke slaap en droom Broederke, broederke, broederke mijn Laat mij, laat mij uw moederke zijn. Dekken zal u zusje, Ligt ge bloot gewoeld, Kussen met een kusje Dat ge bijna niet voelt. Broederke, broederke, broederke mijn Laat mij, laat mij uw moederke zijn. Moet ge mee naar schole Dwars door weer en wind, Kom dan stil gescholen Onder dien mantel kind. Broederke, broederke, broederke mijn Laat mij, laat mij uw moederke zijn. |
Roeiliedje De wind suist een liedje in 't wuivende riet. En stralende zonlicht weerkaatst in den vliet. Ons dobberende bootje danst mee op de maat, Die 't kabb'lende water zoo lustigjes slaat. Wij heffen de riemen en schieten door 't nat, Dat bruisende tegen den steven op spat Wij rekken en strekken en trekken met kracht De schipper houdt stuur en de uitkijk houdt wacht. Hoezee voor het water, voor roeien hoezee! Stuur nu weer ons bootje naar veilige rêe. Want lang heeft men thuis zeker al ons gewacht Het zonnetje daalt reeds en wenscht ons goê nacht |
Slaapliedje Do la do deine, Slaap lieve kleine Doe er van 't spelen moe Zoetjes uw oogjes toe, Sluimer nu zacht, moeder houdt de wacht. Ook naar zijn nestje vliegt nu vogelijn, Dromerig, dommelend Alle de bloemkens zijn, En door ons vensterke gluurt weer de maneschijn.Do la do deine Slaap lieve kleine, Doe er van 't spelen moe, Zoetjes uw oogjes toe, Sluimer nu zacht, moeder houdt de wacht, Sluimer nu zacht, Moeder houdt de wacht, Do la, Do la deine |
|
Van Lente Daar was ereis een vogelijn, klein, klein vogelijn dat dichtte een vrolijk liedeken bij heldren zonneschijn. Het trilde en tjiepte en peep en zong tot mij het lied in 't hartje drong als zilveren glenzingen en geuren van seringen mij harte binnen drong, 't zingen Toen voelde ik dat het lente was blank, blank, gouden rein. Mijn hart dat was een teere bloem, die wacht op zonneschijn. Nu geurt het veld, nu wuift het bosch, nu wikkelt vlinder 't popje los. Nu gaat, op vlinder zwingen, mijn fladdrend zieltje aan gaat, op zwingen, mijn zieltje aan 't zingen. Nu wuift het groene bosch,'t zingen |
Zomerochtendliedje Kind'ren, naar buiten, het zonnetje lacht ! Ziet toch eens rond, wat de morgen u bracht: 't Vrolijke, zonnige leven ! 't Schittert daar buiten van blauw en van goud; Vogeltjes schaat'ren in 't bloeiende hout, Vriendelijk lachen de dreven ! Geur stijgt ten hemel van bloesem en blad, Mee op het pad ! Mee op het pad ! Kind'ren naar buiten, het veld is nog nat ! Dauw ligt te flonk'ren op bloesem en blad, Schitter u vriendelijk tegen. 't Zonlicht maakt plassen tot spiegels van goud; Tovert een tint'lende sluier voor 't woud, Sprenkelt zijn goud op de wegen. Kind'ren naar buiten, ontvlucht nu de stad, Mee op het pad ! Mee op het pad ! Kind'ren naar buiten, natuur is zo mooi ! Ziet toch haar rijke, haar feest'lijke tooi, Feesttooi in 't zomergetijde ! Paart er uw liedjen aan 't vogelgezang, Kort is de zomer, maar winter duurt lang, Zingt er uw liedeke blijde ! Kind'ren naar buiten, ontvlucht nu de stad, Mee op het pad ! Mee op het pad ! |
'k Zag twee apen wortels schrapen, Oh, het was een wonder! 't Was een wonder boven wonder Dat die apen schrapen konden! Hi Hi Hi! ha ha ha! 'k Stond er bij en ik keek er na! Wij maken een kringetje van jongens en van meisjes Wij maken een kringetje van tra la la! Maak nu een buiging! Maak nu een buiging! Bij de hand, bij de hand, pak je liefste bij de hand In de kelder is het donke Waarom moet het donker zijn An-na , Ma-ri-a, koekoek 't Schip moet zeilen, 't Scheepje ligt aan wal! We zeilen ja, we zeilen ja, van één twee drie! En al de scheepjes zeilen, ja van één twee drie!! |
|
|
|
|